Voorproefje 'Antwerpen, stad naar mijn goesting'
Nieuwsgierig geworden naar mijn tweede boek? Hieronder publiceer ik uit ieder hoofdstuk alvast een kort tekstfragment. Met verontschuldigingen voor de afwijkingen in de tekst. Het is allemaal hetzelfde lettertype en van dezelfde lettergrootte, maar ja ... Word :-(.
1. Kennismaking met de stad
1.1 Toeristische trekpleisters en andere opvallende zaken
Waar denkt de gemiddelde toerist aan bij de stad Antwerpen? De kathedraal, de Meir, De Keyserlei, de diamantbuurt. Allemaal waar en logisch voor degenen die per trein in Antwerpen arriveren. Immers, ge loopt Antwerpen Centraal uit en staat – afhankelijk van de uitgang – in de Pelikaanstraat, bij de ingang van de ZOO of aan het begin van de Keyserlei.
De Pelikaanstraat is de diamantstraat van Antwerpen. Hier tref je niets anders dan diamant- en juwelenwinkels. Zijn diamanten duur? Hm, met 20 euro op zak komt ge er niet, maar een beetje diamant kost ook weer niet per se honderden euro’s. Het is een kwestie van goed kijken en vergelijken. Loop je de direct achterliggende buurt van de Pelikaanstraat in, dan beland je in de eigenlijke diamantbuurt. Het zijn vooral de diamantairs zelf die zich hier ophouden. Zij huren ieder voor zich een ruimte in één van de grote kantoorpanden.
Van oudsher spelen de orthodoxe joden een belangrijke rol in de Antwerpse diamantindustrie. Je herkent ze gelijk aan hun uiterlijk. De mannen met hun zwarte hoeden of keppeltjes, in hun haar meestal ook pijpenkrullen, en hun lange zwarte jassen. De vrouwen herken je aan hun jaren 50 van de vorige eeuw kleding en de hordes kinderen die ze met zich meezeulen. Het libido van de orthodoxe joden schijnt geen grenzen te kennen. Ze zijn voornamelijk gehuisvest in de brede leien even buiten het centrum. De Belgiëlei en de Plantin en Moretuslei zijn de bekendste leien waar grote concentraties orthodoxe joden leven. Het zijn ten slotte zeer vroege vogels. De mannen en jongens kun je even na zevenen ’s ochtends al treffen, lopend op weg naar ergens. Ook tijdens verlofperiodes.
De laatste jaren zijn de Indiërs in opmars in de diamantindustrie. Sterker nog: zij hebben de voorheen onaantastbare positie van de joden overgenomen. Reeds in 2005 beheersten de Indiërs 60% van de kleinhandel in diamanten. Dat kan sindsdien alleen maar meer zijn geworden, getuige het feit dat sinds september 2008 geen enkele joodse diamanthandelaar meer deel uitmaakt van de Raad van Bestuur van het Antwerp World Diamont Centre. Alle te vergeven plaatsen aan de diamanthandelaars in deze koepelorganisatie worden nu bezet door Indiërs. De diamanthandel blijkt een lucratieve business. Tachtig procent van alle ruwe diamanten op aarde passeert Antwerpen op weg naar de eindbestemming. De diamanthandel is verder goed voor acht procent van de Belgische export. Mooie cijfers, vooral voor de handelaren. De Belgische staat profiteert immers veel minder mee. Oorzaak: de zwarte handel die volgens een artikel in de HUMO van 12 augustus 2008 welig tiert. De Indiërs zijn in elk geval niet bang hun nieuw verworven rijkdom, al dan niet afkomstig van zwart geld, in het openbaar te tonen. Zij wonen voor het merendeel niet in Antwerpen stad, maar in de rijkere districten. Wilrijk bijvoorbeeld. Dit in tegenstelling tot hun joodse collega’s die hun sobere levensstijl zijn blijven voortzetten en nog steeds niet zijn geassimileerd.
2. Als EU-ingezetene aan de slag in Antwerpen
2.2 Hypocrisie en gefoefel op de arbeidsmarkt
In theorie is het simpel. Iedere EU-ingezetene mag in elk Europees land aan de slag. Als Fin moet je dus zonder problemen in Spanje kunnen gaan werken, mocht je dat als Fin willen. Sommige Europeanen weten deze theorie probleemloos in praktijk te brengen. Kijk naar de Polen die massaal naar België en Nederland zijn gekomen sinds 2007. Als Nederlander zijnde, zou je snel aan de bak moeten kunnen komen in Antwerpen, was mijn verwachting. Vervelend obstakel voor mij persoonlijk in de zoektocht naar werk is altijd mijn lichamelijke beperking geweest. Ik loop nogal apart, kan mijn rechterhand niet gebruiken en ben evenmin bedreven in het voeren van commerciële telefoongesprekken (ik haat telefoneren, kom niet altijd duidelijk over in wat ik wil zeggen). Dit alles vanwege een hersenbloeding op jonge leeftijd. Ik ben me zeer goed bewust van mijn beperkingen en ambieer nooit een job die ik niet kan uitoefenen. Ik kan wel normaal met een computer overweg en beschik over een goed stel hersenen. Helaas, mensen krijgen nogal eens een totaal verkeerde indruk van me als ze me voor het eerst zien. Dat geldt op het gebied van sociale contacten en op het gebied van werk.
De eerste indrukken op mijn zoektocht naar werk in Antwerpen leken alleszins positief uit te pakken. Ik meldde mij ruim voor de feitelijke verhuis aan bij diverse Antwerpse uitzendbureaus, waaronder Randstad gevestigd op de Frankrijklei. Bij het inschrijven aldaar, was men zeer beleefd en hoopgevend. ‘Zodra je je definitief in Antwerpen hebt gevestigd, gaan we voor je op zoek. Geef dan vooral je telefoonnummer door, zodat we je altijd kunnen bellen.’ Direct de maandag na mijn verhuis had ik via Randstad een sollicitatiegesprek bij een groot sociaaljuridisch bureau in Antwerpen. Er was een functie als redacteur vrijgekomen. Het sollicitatiegesprek verliep niet al te plezant. Men wist niet goed raad met mijn handicap en draaide om de hete brij heen. De afwijzing kwam daarom niet onverwachts. De formele reden luidde dat men mij wel als redacteur bureauwerk zag doen, maar niet het interviewen van medewerkers op de verschillende afdelingen. Klinkklare onzin. Ik reis als freelancer heel Nederland en België door als het moet, neem gerust een keer de trap en ben zeer mobiel. Nee, dit was wat we in mooi Rotterdams een kutsmoes noemen. Randstad-consulente had het evengoed door en hield een mooi praatje richting mij: ‘Zulke bedrijven, daar willen we geen zaken mee doen bij Randstad.’ Heeft ze dan ooit iets anders voor me weten te vinden? Nee. Deed ze hierna nog moeite iets voor mij te vinden? Absoluut niet. Kwam ik langs bij haar, wist ik bij voorbaat al dat het verspilde moeite was. De andere uitzendbureaus hetzelfde verhaal. Geen enkel verschil aldus met hun Nederlandse collega’s. Uitzendbureaus zijn gewoon a piece of shit. Mijn Amerikaanse vriendin verwoordde het een keer als volgt: ‘I know no one who got a job through an interim agency.’ Lag het aan mijn eisen? Neuh, die lagen niet hoog. Natuurlijk, een job op het gebied van communicatie/redactie zou het mooist zijn geweest. Ik was al tevreden met eender administratieve job.
Niet alleen mensen met een beperking hebben het moeilijk op de Antwerpse arbeidsmarkt. Nederlanders, en allochtonen in het algemeen, lijken in de regel veelal wantrouwen en achterdocht bij Antwerpse werkgevers op te wekken. Vooral als men niet helemaal volgens de geldende norm door het leven gaat. Het verhaal van Jessica verwoordt deze hypothese perfect.
3. Het is óf Antwerpen óf Brussel
Antwerpen was de enige stad in geheel België waar ik mijn journalistieke aspiraties wilde verwezenlijken. Toch heb ik ook nagedacht over Brussel als standplaats. Hoofdstad van België, politieke hoofdstad van Europa, vestigingsplaats van de NAVO. Daar gebeurt hét op politiek, en dus journalistiek interessant, gebied. Brussel stond mij echter van meet af aan niet aan. Ik ben niet de enige die niets heeft met Brussel. Net zoals een Rotterdammer er niet aan moet denken in Amsterdam te moeten gaan wonen, en omgekeerd, zo geldt dat evenzeer voor een Antwerpenaar als je met hem over Brussel spreekt.
Ben er zat keren geweest sinds mijn komst in Antwerpen. Wat mij tegenstaat aan Brussel is in de eerste plaats de grauwheid in veel delen van de stad. De sfeer is gewoon niet plezant als je je buiten het centrum begeeft. Brusselaren zijn verder niet bepaald behulpzaam als je ze iets vraagt. Het communicatieprobleem speelt daarbij een belangrijke rol. Officieel is de stad tweetalig. Alle straatnaamborden zijn inderdaad zowel in het Nederlands als in het Frans. Dit geldt ook voor alle overige gidsen, handleidingen en voor de medewerkers van publieke instellingen. Wanneer je een willekeurige voorbijganger op straat aanspreekt in het Nederlands, kun je daarentegen slechts één reactie verwachten: ‘Je ne parle pas le néerlandais.’
Het percentage Nederlandstaligen in de stad Brussel en de randgemeenten wordt ieder jaar minder en schommelt nu nog net rond de tien procent. Je vindt ze juist vooral in de Brusselse randgemeenten, waar ze zich hardnekkig verzetten tegen nog meer francofone invloeden. Beetje à la Asterix en Obélix. Oeps, dat waren Galliërs, dus Fransen. Dit doen ze zowel op het politieke front als op meer ludieke wijze. Iedere eerste zondag in september organiseert men bijvoorbeeld een fietstocht, de ‘Gordeltocht’. Gordel refereert uiteraard aan de gordel van Nederlandstalige randgemeenten rondom Brussel. Elk jaar haalt dit evenement steevast ook de Nederlandse pers, omdat Walen er altijd weer in slagen sabotageacties te plegen. Zoals uit onderstaand nieuwsbericht uit 2006 blijkt.
4. Antwerpen: mijn permanente nieuwe thuis?
4.1 De stevigheid van mijn Rotterdamse roots
Op het werk en onder Vlaamse kennissen bezig ik al een aardig mondje Aantwaarps en/of Vlaams. Woorden als goesting, woonst, amai en contacteren hebben hun Nederlandse synoniemen naar de achtergrond verdrongen in mijn dagelijkse taalgebruik. In Nederland vermijd ik het gebruik van het Aantwaarps/Vlaams echter zoveel mogelijk. Oké, soms gooi ik er voor de gein wel eens een woordje tussendoor. Over het algemeen spreek ik nog steeds met een algemeen beschaafd Rotterdams dialect. Het lijkt me sterk dat ik dat geheel kwijt zou raken, ook al woonde ik nog 20 jaar in Antwerpen of elders in Vlaanderen. In Sint-Maria werkt een verzorgende die oorspronkelijk uit Utrecht afkomstig is. Plat Utrechts spreekt ze niet meer. Dat ze Nederlandse is, hoorde ik gelijk de eerste keer dat ik haar daar sprak. Ze woont desondanks al een jaar of twintig in Antwerpen.
Kennelijk blijven de linguïstische roots stevig intact bij het verblijf in een ander land. Hoe zit het met de overige roots? Ben ik al helemaal Antwerpenaar in mijn doen en laten of in wezen nog steeds een Rotterdammer? Twee jaar en wat maanden lijkt me te kort helemaal van het een in het ander te kunnen veranderen. Komt bij dat de band met Rotterdam blijft bestaan. Mijn ouders wonen er tenslotte. Of eigenlijk moet ik zeggen mijn moeder. Mijn vader is september 2008 overleden. Zijn dood en het hele traject eraan vooraf, echt onverwachts kwam het niet, hebben me wel aan het denken gezet. Wat wil ik: definitief een nieuw leven opbouwen in Antwerpen of na verloop van tijd terug naar Rotterdam/Nederland?
5. Snelcursus Aantwaarps
Het heeft me goed anderhalf jaar wonen en werken in Antwerpen gekost eer ik het Aantwaarps redelijk verstond. Zolang men niet te plat Aantwaarps klapt, want dan verstaon ‘k er gienen bal van. Oftewel: versta ik er niets van. Kenmerkend voor het Antwerpse dialect is de langgerekte a en het aan elkaar plakken van woorden. Een ander opvallend verschijnsel is het woordje ‘den’ dat men veel gebruikt in combinatie met een mannelijke persoon. Den bakker, den beenhouwer en den gastarbeider voor uwe auteur.
In dit hoofdstuk geef ik een snelcursus Aantwaarps voor degenen die zich in het Antwerpse willen begeven. Ik begin met een reeks Aantwaarpse uitdrukkingen. Die vond ik op de site http://www.mijnwoordenboek.nl/gezegden/Antwerps Daarna volgt een verklarende lijst van Aantwaarpse/Vlaamse woorden, begrippen en opmerkingen die ik doorheen mijn boek heb gebezigd of waarvan ik vind dat die tot ieders bagage zouden moeten behoren. Sommige zijn exclusief Antwaarps, andere bezigt men in meerdere delen van Vlaanderen. Deze lijst staat in alfabetische volgorde. Voor wie er niet genoeg van krijgt, sluit ik af met enkele zinnen in plat Aantwaarps om te oefenen.